Een stuk gezelliger!
Vandaag :
♔ niets op de agenda
Avatar

roha

De ballen van Karpov

De Prinsessen van het schaakbord

De titel boven dit artikel op de website komt niet overeen met de eigenlijke titel van dit stuk. Die moet zijn: ‘De Prinsessen van het Schaakbord’. Maar hopelijk heeft de titel u nieuwsgierig genoeg gemaakt om verder te lezen!

De titel op de website verwijst naar de training dit seizoen over de lopers (19 december 2019). Daarin bekeken we de mogelijkheden en onmogelijkheden van de lopers. Karpov vergeleek lopers met biljartballen. Ze ketsen terug van de randen van het bord. De tekst van die training en die van de eerdere trainingen van dit seizoen zijn nu (eindelijk) in het besloten deel te vinden

Vandaag, 30 april, zouden we de laatste drie rondes van de rapidcompetitie spelen met voorafgaand de laatste training van dit seizoen. Gezien de bijzondere omstandigheden plaats ik deze keer het materiaal van de training niet alleen in het besloten deel van de website maar ook openbaar.

De Prinsessen van het schaakbord zijn natuurlijk de dames. Zij zijn de meest mobiele stukken op het bord en dat maakt hen zo uniek. Het maakt doorgaans niet zoveel uit op welk veld ze staan omdat ze zich heel snel van het ene deel van het bord naar het andere kunnen verplaatsen. Een voorbeeld:

 

Fragment 1
Jan Markos – Alexander Beliavsky, Plovdiv 2008.

De witte dame staat op een relatief bescheiden veld. Omdat de zwarte koningsvleugel verzwakt is wil wit de dame overbrengen. Daarvoor is het nodig te zien dat een achterwaartse zet (zie hiervoor de training van 2017-04-13 over ‘Onzichtbare zetten’) geboden is.

 

Fragment 2
David Varga – Jan Markos, Banska Stiavnica 2012

Omdat dames zo snel zijn is het niet nodig ze al in een vroeg stadium in het spel te brengen. Ze kunnen anders opgejaagd worden door stukken van een mindere waarde. Maar als de dame al snel op avontuur wordt gestuurd kan het ook zo zijn dat ze gemist wordt in de eigen gelederen.

 

Fragment 3
Peter Velicka – Jan Markos, Czech Republic 2015

De dames zijn veruit de meest waardevolle stukken op het bord. Dat maakt ze kwetsbaar, daarom zijn het slechte verdedigers. Als je dame te gemakkelijk gebruikt voor de verdediging is dat, zoals Markos schrijft, net zoiets als je fiets vastzetten met een stevig kettingslot van goud. Je fiets is niet echt beschermd en je slot ben je ook kwijt.
Vaak is het zo dat wanneer een dame gebruikt wordt in de verdediging het de zaken alleen maar slechter maakt. De dame kan zelf doelwit worden voor een aanval. Dat levert de tegenstander extra tempi op.

 

Fragment 4
Garry Kasparov – Josef Pribyl, Skara 1980

Dames zijn dus slechte verdedigers, maar briljante aanvallers. Het liefst hebben ze de vrije ruimte. Dan vallen ze ongedekte doelen aan en worden ze de echte heersers van het bord.
Als je aanvalt met de dame is het belangrijk rustig alle zetten, een voor een, te berekenen. Omdat de dame zo vreselijk mobiel is kan het, als je niet heel precies rekent, makkelijk gebeuren dat je een beslissende zet over het hoofd ziet. Een klassiek voorbeeld:

 

Fragment 5
Magnus Carlsen – Sergey Karjakinn, Bilbao 2016

Wanneer is het verstandig om dames te ruilen, en wanneer juist niet? Met de andere stukken ligt dat eenvoudiger: als mijn stuk slechter is dan dat van mijn tegenstander ruil ik af. Is mijn stuk beter, dan niet.
Het probleem bij de dames is dat het, door hun mobiliteit, niet zo makkelijk is een keuze te maken. Op het ene moment is mijn dame sterker, vlak daarna juist die van mijn tegenstander. Andere factoren moeten dus in ogenschouw genomen worden.
We weten al dat de dame een goede aanvaller is maar een slechte verdediger. Het beste aanvalsdoel is natuurlijk de koning. Dus als mijn koning veiliger staat dan die van mijn tegenstander zal ik afruil vermijden. Ik heb dan het voordeel van de aanvallende dame versus de verdedigende dame.

 

Fragment 6
Markus Ragger – Jan Markos, Tromso (ol) 2014

Als het bord nog vol is met lichte stukken moeten de dames oppassen en goed op zichzelf passen. Maar dat hoeft niet te betekenen dat ze lui achterover kunnen hangen. De dame is uitermate geschikt om samen met een loper of toren een batterij te maken. Meestal achter de loper of toren, soms juist ervoor om voor extra dreiging te zorgen.

 

Samengevat
1. Dames zijn goed in de aanval en verdedigen niet graag.
2. Dames hebben ruimte en ongedekte stukken nodig om te kunnen aanvallen. Daarom moet de aanval voorbereid worden door lichtere stukken.
3. Dames zijn veel waard, op een vol bord kunnen ze makkelijk door stukken met een mindere waarde worden aangevallen. Daarom moeten ze zich in de opening en vroege middenspel iets meer op de achtergrond houden.
4. Bij afruil van de dames moeten we kijken naar de veiligheid van de koning. Is de eigen koning kwetsbaar dan is afruilen een goed idee.
5. Dames zijn de echte prinsessen van het schaakbord: kostbaar, uniek en te elegant voor het vuile werk.

 

De voornaamste bron voor de trainingen van dit seizoen is het boek ‘Under the Surface’ van Jan Markos (Quality Chess, 2018).
Een heerlijk boek, niet in de laatste plaats door de amusante manier van schrijven.

 

Toegift
Fragment 7
Nigel Short – Jan Timman, Tilburg 1991

Omdat ik nu niet aan een tijdslimiet ben gebonden nog een, bekende, toegift over de kracht van de koning.
De opmerkingen zijn van Jonathan Rowson in ‘The Seven Deadly Chess Sins’. Hij bespreekt in dat boek onder andere de rol van humor in het schaken. Volgens Miles is ‘een verwrongen gevoel voor humor misschien wel de belangrijkste eigenschap die een schaker moet hebben’. Rowson haalt ook Krogius aan die suggereert dat ‘je je moet trainen in het vinden van paradoxale situaties, naar uitzonderingen op de regels moet zoeken’. Om Rowson aan te halen: ‘Dus beweer ik nu dat schaken pre-verbale humor is en dat alle schakers gefrustreerde comedians zijn? Voor een deel wel, maar ik ben ervan overtuigd dat dat wanneer je ernaar streeft de grappige kanten van het schaken te zien je wel degelijk je blik verruimt.’ Hoe vaak zeggen we bij een na-analyse niet dat een stelling wel grappig is, dat iets een leuke zet is?!
Gedachtes om eens goed voor te gaan zitten en te overdenken!

Rechttoe rechtaan

Na de lopers en de paarden zijn nu de torens aan de beurt. De bekendste kenmerken van een toren zijn dat hij achter de vrijpion moet staan, goed tot zijn recht komt op een open lijn en op de zevende (tweede) rij dood en verderf kan zaaien. In tegenstelling tot de lopers en de paarden komen torens pas laat in het spel.

Torens zijn de enige stukken die niet persé gecentraliseerd hoeven te worden om zoveel mogelijk velden te bestrijken. Het maakt niet uit of de toren op een leeg bord op e5 staat of op h1. Jan Markos in ‘Under the Surface’ geeft een interessant staatje:

  Aantal velden onder controle vanaf centrumveld Aantal velden onder controle vanaf hoekveld Ratio
centrumveld – hoekveld
Koning 8 3 2,67
Dame 27 21 1,29
Toren 14 14 1,00
Loper 13 7 1,86
Paard 8 2 4,00

Hoe hoger de ratio, hoe belangrijker is dat het stuk wordt gecentraliseerd. Het paard staat dus het beste in het centrum, daarvandaan bestrijkt het de meeste velden.
Uit de tabel blijkt dat het voor een toren niet uitmaakt waar het staat, hij controleert vanaf de hoek of vanuit het centrum op een leeg bord precies evenveel velden. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat torens de ideale stukken zijn om vanaf de randen van het bord te spelen.
Torens zijn ideale aanvalsstukken. Ze kunnen de pionnenstructuur van de tegenstander onder druk zetten omdat ze van afstand werken. Maar ook zijn ze sterk wanneer ze in het vijandelijke kamp zijn binnengedrongen. Een toren op de achterste rij is vaak dodelijk, een toren op de zevende rij heeft heel wat pionnen te verorberen.

Een voorbeeld van hoe de torens via de rand van het bord binnen kunnen vallen:

1. Alexander Motylev – Jan Markos, Plovdiv 2008

In deze stelling staat zwart iets minder. De stelling is gesloten maar wit heeft al zijn lichte stukken op de koningsstelling van zwart gericht. Zwart besluit daarom zijn loperpaar op te geven, dat is in een gesloten stelling toch niet zoveel waard. Maar daardoor wordt de h-lijn geopend en wordt een ideale toegangsweg voor de zware witte stukken.
Uit deze partij blijkt dat gesloten stellingen minder gesloten kunnen zijn dan ze lijken. Een passieve verdediging is geen goed idee. En is duidelijk dat de torens aan de randen van het bord uitermate effectief kunnen opereren.

 

Een tweede voorbeeld met de torens aan de rand:

2. Wei Yi – David Navara, Wijk aan Zee 2016

Ook in deze partij lijkt de koningsstelling voldoende geblokkeerd maar dat is ook hier schijn. Een ogenschijnlijk kleine verzwakking wordt zwart fataal. Met een offer verschaft wit zich toegang en spelen de torens op de g- en h-lijn een cruciale rol.

 

Kenmerken van de toren
De toren is het stuk dat het meest wordt gehinderd door de pionnenstructuur, het is het enige stuk dat niet makkelijk door gaatjes heen kan slippen. Een toren heeft open lijnen nodig. Het is dus belangrijk verzwakking in de pionnenstructuur van de tegenstander uit te lokken. Omdat de pionnenstructuur een relatief stabiel element is kan zo’n verzwakking kan pas zetten later nuttig blijken.
Daarnaast is een toren een prima verdediger voor de basis van je stelling. De achterste twee rijen zijn de Achilleshiel, die rijen kunnen immers niet verdedigd worden door pionnen. Daarom nemen de torens de verdedigende taak op zich.

In de opening en het vroege middenspel zijn torenruilen zeldzaam. En dat betekent dat toreneindspelen verreweg het vaakst voorkomen! Toreneindspelen komen drie keer zo veel voor als het tweede meest voorkomende eindspel, dat van een paard tegen een loper.

De combinatie van de verdedigende taak van de toren en het probleem hoe uit de pionnenstructuur te breken betekent dat het voor dit stuk in de opening en middenspel moeilijk is zich volop in de strijd te mengen. Als je erin slaagt de aanvallende en verdedigende kracht van je torens al in een vroeg stadium weet te combineren levert dat vaak een belangrijk voordeel op. Een aantrekkelijke manier om de toren te activeren is om hem voor de pionnenstelling te zetten, de zogenaamde toren-lift. Vaak gaat dat via de derde rij om de koningsaanval te ondersteunen (bijv. Te1-e3-h3).

Torens kunnen uitstekend vanaf de flank de koningsstelling verdedigen en tegelijk de aanvallende functie behouden. Een toren op a7 bijvoorbeeld verdedigt f7 maar maakt ook de weg vrij voor een verdubbeling over de a-lijn.

Torens zijn het best geschikt om een batterij te maken. Twee torens en de dame is de enige batterij die uit drie stukken bestaat. Een toren achter een (vrij)pion is ook te beschouwen als een batterij omdat de kracht van twee stukken die in dezelfde richting werken wordt versterkt. Een belangrijk kenmerk is verder dat twee torens in een batterij elkaar dekken. Niet verbonden torens zijn zwakker en meer kwetsbaarder.

 

Beoordeling van de stelling, ontstaan uit het Spaans, de Berlijnse Muur:

 

De volgende partij is er een met een voorbeeld van het belang van het verbinden van de torens. Het lijkt erop alsof zwart alles goed doet: hij valt de verzwakte structuur aan met behulp van de toren op de a-lijn. Maar So onderschatte het belang van de samenwerking tussen zijn torens.

 

3. Magnus Carlsen – Wesley So, Bilbao 2016

In de eindstelling staat zwart een pion voor, heeft de betere pionnenstructuur en het loperpaar. Maar dat is allemaal niet belangrijk. Zwart is er niet in geslaagd zijn torens te verbinden en kan daarom het beslissende binnendringen van wit over de d-lijn niet verhinderen.

 

Vier punten om te onthouden
* Het maakt voor de toren niet veel uit of ze aan de rand of in het centrum staan. Maar in vergelijking met andere stukken zijn zij bijzonder geschikt om vanaf de randen van het bord opereren.
* Torens hebben in de opening en het vroege middenspel vaak weinig te doen. Als dat wel lukt hebben de andere stukken meer vrijheid gekregen.
* De activiteit van de toren hangt af van de pionnenstructuur. Door zwaktes uit te lokken hebben zij in een later stadium werk te doen.
* Verbonden torens zijn veel effectiever dan wanneer ze niet verbonden zijn.

Met zonder paarden

Met paarden
Paarden zijn moeilijker om mee te spelen dan lopers. Lopers zijn rationeler. Hun bewegingen doen denken aan een lijn die langs een liniaal wordt getrokken of aan een snelweg die door een kaal landschap loopt.
Een paard daarentegen heeft iets dierlijks en onvoorspelbaars, ook op het schaakbord. Beginnende schakers kunnen met een blik zien of er sprake is van ongelijke lopers en snappen snel wat een ‘slechte loper’ is. Paarden zijn minder makkelijk te doorgronden.

1. Studie Chéron

Wit wint, ook al is de witte koning ver weg en hoeft zwart alleen maar zijn paard voor de witte h-pion te geven om remise te maken.

Wat kunnen we hieruit leren?
1. Ten eerste dat wanneer een paard ergens op het bord wordt vastgezet het niet alleen minder actief is maar ook andere stukken kan hinderen en kwetsbaar is.
2. Ten tweede dat een paard niet alleen moeite heeft zich snel over langere afstanden te verplaatsten maar ook moeite heeft met korte afstanden. Bij een paard is het dus van groter belang op welk veld het staat dan bij een loper. Het is niet genoeg alleen maar op dat deel van het bord te staan waar ‘het allemaal gebeurt’, het precieze veld is belangrijk.

In leerboeken die over strategie gaan en in het bijzonder over paarden lees je vaak dat een paard houdt van gesloten stellingen. Maar daar is wel iets op af te dingen. Als een paard opgesloten is binnen een compacte pionnenstructuur heeft het even weinig plezier als een kip in een legbatterij.

Het spel met het paard lijkt op autorijden. De situatie in het probleem van Chéron met de zwarte stukken machteloos in de buurt van de witte h-pion is net zoiets als iets te veraf staan van het apparaat waar je het parkeerkaartje in moet als je de parkeergarage uit wilt rijden. Je hebt kilometers gereden maar bent niet in staat je auto 20 centimeter naar de zijkant op te schuiven. De moeizame weg van een paard naar een veld vlakbij doet denken aan inparkeren op een klein plekje: metertje vooruit, schakelen, stuurwiel draaien, stukje achteruit, schakelen, stuur draaien, stukje vooruit, en zo maar door tot je eindelijk ingeparkeerd bent. Zelfs de L-vormige bewegingen van de auto bij het inparkeren doen denken aan die van het paard.

 

2. Kasparov – Shirov, Horgen 1994

In de stelling na de 13e zet van wit ‘reed’ het paard van Shirov net zo, maar Kasparov liet hem de rit niet afmaken. Het zwarte paard kwam volledig buitenspel te staan.

Een interessant leerpunt is dat bij paarden de afstand tussen ‘twee velden diagonaal’ visueel niet erg groot is. In zetten gerekend is het juist wel de langste afstand. Van b7 naar d5 kost vier (!) zetten. Dat is net zo veel als van a1 naar g7.

Het verschil in kracht tussen twee paarden die in elkaars nabijheid staan kan nog groter worden als een koning in de buurt is.
Een aanvallend paard in de buurt van een koning is een gevaarlijk stuk, niet in de laatste plaats vanwege de mogelijkheid een vork te geven. Daar staat tegenover dat het een slechte verdediger is: het kan de koning in de weg staan, het kan zich niet makkelijk terugtrekken op een veilige plek maar vooral is een zwakte dat het geen velden in zijn onmiddellijke omgeving dekt.
Het paard leidt zijn eigen leven. In het ecosysteem van het schaakbord heeft het geen natuurlijke vijanden en hoeft roofdieren niet te vrezen, zoals een dame dat wel moet. Maar er is één strategisch aspect van een stelling dat een allesbepalende invloed heeft op het leven van een paard. Dat is uiteraard de pionnenstructuur.

Als de pionnenstructuur van de tegenstander compact is kan dat het leven van een paard frustreren omdat veel goed velden worden weggepakt. Daarom houdt het paard van stellingen met zwakke pionnen of een verbrokkelde pionnenstructuur. Ze kunnen de verzwakte pionnenstructuur prima aanvallen of de eigen gebroken structuur repareren.

 

3. Laurent – Renet, Frankrijk 2000

Deze partij is heel instructief.
Allereerst laat wit, door een onzorgvuldig pseudoactief plan, toe dat zijn pionnenstructuur verder verzwakt wordt. Wit wint weliswaar een pion maar loopt een achterstand in ontwikkeling op.
Zwart trekt zich tijdelijk terug maar komt sterk terug. De witte structuur is zo verzwakt dat zwart gemakkelijk werk vindt voor zijn twee paarden.
De partij eindigt met een directe mataanval en laat de geringe overlevingskansen van een koning zien als die onder de hoeven van een span paarden komt.

 

4. Radjabov – Svidler, Bakoe 2015

In deze partij is te zien hoe het paard tegenspel biedt aan een toren.

 

Zonder paarden
Nu we gezien hebben waartoe paarden in staat zijn is het ook interessant om het over hen te hebben zonder dat ze op het bord staan. Dat maakt inzichtelijk hoe het spel verandert als er geen paarden zijn. Dat lijkt vergezocht maar we zeggen vaak dat we de waarde van dingen pas beseffen als we ze kwijt zijn.

Paarden gaan op een speciale manier. Koningen. dames, lopers en zelfs pionnen kunnen diagonaal gaan. De koningen, dames, torens en pionnen gaan recht. Maar geen enkel ander stuk gaat zoals een paard, diagonaal en recht in een en dezelfde zet.

Wat gebeurt er als de paarden van het bord zijn? Over het algemeen gaat het spel dan sneller. Paarden zijn relatief langzame beesten, dus als zij van het bord verdwenen zijn neemt de gemiddelde snelheid op het bord toe.

 

5. Atalik – Shinkevich, 2013

Het spel zonder paarden is dus sneller, vol met spanningspunten en doorbraken, zwakke velden hebben minder betekenis.
Maar wat doen ze dan eigenlijk op het bord?
Het aardige is nou juist dat het spel vertraagd wordt. Paarden maken het spel subtieler. Ze zijn goed in het uitbuiten van kleine dingen zoals zwakke velden.

Onduidelijk is of paarden de aanwezigheid van vrijpionnen versterken of niet. Aan de ene kant is het paard de beste vriend van een vrijpion en kan het de opmars effectief ondersteunen. Aan de andere kant is het een uitstekend blokkadestuk. Alles hangt af van de specifieke kenmerken van de stelling. Zoals dat voor elke vuistregel in het schaken geldt.

De Biljartballen

De komende vier keer zal ik nader ingaan op de stukken en hun eigenschappen. Allereerst is de loper aan de beurt.

Jan Markos in ‘Under the Surface’, zoals gezegd mijn voornaamste bron dit seizoen, schrijft dat het niet zo makkelijk is te weten te komen hoe de top-grootmeesters over het spel denken. Hij wijt dat enerzijds aan het feit dat zij hun keuze over wat te doen in een bepaalde stelling intuïtief maken. Het is immers niet eenvoudig om aan iemand anders uit te leggen wat voor jou vanzelfsprekend is. Anderzijds worden de meeste aantekeningen bij schaakpartijen tegenwoordig snel gemaakt en zijn meest gebaseerd op computeranalyses dan heldere uitleg in woorden.

Waar je veel van leert zijn boeken van grootmeesters waarin zij met veel woorden partijen uitleggen. Het klassieke voorbeeld is het toernooiboek van Bronstein over Zürich 1953, een moderner voorbeeld is ‘Positional Decision Making in Chess’ van Gelfand. Daarnaast is zijn aanbeveling om op internet naar de uitleg van topspelers te kijken direct na afloop van een partij.

De inspiratie voor Markos om diepgaander de mogelijkheden, of beter een specifieke onmogelijkheid, van de loper te onderzoeken is een opmerking van Karpov, die zei dat lopers net biljartballen zijn. Ze ketsen terug van de randen van het bord.
Dat betekent dat er voor een loper geen directe weg is van de ene flank naar de andere. Lopers moeten ergens van koers veranderen, ze moeten afbuigen. De dame of een toren kan wel snel van de ene flank naar de andere, een paard doet er iets langer over maar heeft het voordeel dat het over stukken heen kan springen.

Diagram 1.

Bijvoorbeeld: Een witte loper die op h4 staat kan heeft minimaal twee zetten nodig om naar c3 te gaan.
Dat kan op twee manieren: via e1 of via f6. In het eerste geval betekent dat dat de loper door de eigen stelling heen moet, maar dat kan belemmerd worden door een pion op f2, of een toren op e1. De eigen stukken staan in de weg. In het tweede geval moet de loper via de vijandelijke stelling en dan kan f6 gedekt zijn door een pion op g7.
Het kan dus moeilijk zijn om de loper op de juiste plek te krijgen. Daarom is het belangrijk van tevoren goed te weten waar de loper hoort.

 

Vorige keer bespraken we dat een stuk vanuit drie perspectieven bekeken moet worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.
Als we een verkeerd geposteerde loper op deze criteria bekijken dan is de loper geen actief stuk dat doelgericht gebruikt kan worden, het heeft wel aandacht nodig maar daarvoor kan de tijd ontbreken. Daarom is een loper die op de verkeerde vleugel staat meer te beschouwen als een dood stuk hout.

Partij 1.
In deze partij tussen Pirc en Aljechin offert zwart in de opening een pion voor een voorsprong in ontwikkeling. De witte dame staat kwetsbaar en zal nog een tempo moeten verliezen. Wit moet kiezen hoe hij gaat ontwikkelen.
Het commentaar is van Jan Markos.

 

Partij 2.
Carlsen speelt n dit tweede voorbeeld een strategisch fraaie partij. De rode draad in is het onvermogen van de zwarte loper van de zwarte velden om van de ene kant van het bord naar de andere te komen. Carlsen verhindert dat stelselmatig.
In Chessbase is deze partij becommentarieerd door R. Edouard. De commentaren van Markos, specifiek gericht op het thema, heb ik toegevoegd.

 

Partij 3.
In deze partij is het kwaliteitsoffer op de 32e zet van zwart alleen maar mogelijk omdat de witte loper op g3 geen mogelijkheid heeft om op de damevleugel de verdediging bij te staan.

De drie verschijningsvormen van een stuk

Dit seizoen ga ik in op de stukken, de samenhang en hun relatieve waarde.

Jan Markos in zijn boek ‘Under the Surface’, mijn voornaamste bron voor dit seizoen, heeft een ongebruikelijke, grappige en leerzame manier van kijken naar de stukken. Hij gebruikt aanstekelijke metaforen om zijn argumenten kracht bij te zetten. Van veel van zijn teksten zal ik dan ook dankbaar gebruiken.

Het is tijdens de partij nuttig om je van tijd tot tijd de vraag te stellen of je stukken wel goed staan. En als ze niet goed staan, wat zijn dan de betere velden? Sterkere spelers beantwoorden deze vragen vrijwel onbewust. Een reden temeer om te proberen eerst bewust meer grip te krijgen.

Welke criteria gebruiken we om te beoordelen of een stuk goed staat? Beginners houden volgens Markos doorgaans maar met één aspect rekening, de activiteit: hoe actief staat het stuk, valt het iets aan en controleert het veel velden? Of: hoe is het te gebruiken?

Naast het kijken naar de activiteit zijn er nog twee manieren om naar het stuk te kijken:
1. Het stuk kan niet alleen iets dreigen maar kan ook bedreigd worden, kwetsbaar zijn.
2. Daarnaast kan het stuk hinderlijk zijn door bijvoorbeeld op een veld te staan dat beter door een anders stuk bezet kan worden, een sta-in-de-weg zijn.

Elk stuk op het bord moet daarom vanuit drie perspectieven bekeken worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.

Elke pion en elk stuk op het bord heeft deze drie kenmerken, maar tijdens een partij niet steeds in dezelfde mate. De koning bijvoorbeeld beschouwen we als een kwetsbaar stuk. In het eindspel echter heeft de koning een actieve rol, in de rokadestelling dekt het drie pionnen.
Pionnen beschouwen we gewoonlijk als ‘stukken hout’ die het skelet van een stelling vormen. In een gesloten stelling kost het veel moeite om de stukken voorbij de pionnen te krijgen. Omdat pionnen weinig mobiel zijn zijn het vaak aanvalsobjecten en zijn ze verbonden met verdedigende stukken. Maar wanneer een vrijpion gaat lopen is het een machtig wapen dat de uitkomst van de partij kan bepalen.

Laten we nader ingaan op de drie verschijningsvormen van een stuk.

1. Een actief gebruiksvoorwerp
Een stuk wordt gebruikt om een doel te bereiken. De directe waarde doet er niet toe, een hoger doel wordt bereikt.

Twee voorbeelden:
Levan Pantsulaia – Judith Polgar
Fragment na de 13e zet van wit:
In een eerder stadium heeft Judith Polgar een kwaliteit geofferd. Het lijkt erop alsof zwart daarvoor niet voldoende compensatie heeft. Op de volgende zet zal wit de koning in veiligheid brengen. Als tegenwicht heeft zwart een pion en het loperpaar. De vraag is of dat genoeg is. Polgar houdt zich niet met deze vraag bezig en speelde het sterke 13. …, Pd3+. De loper die op d3 komt deelt de witte stelling in twee stukken en de witte koning blijft in het midden gevangen.

Sergei Movsesian – Veselin Topalov
Het tweede voorbeeld is ingewikkelder.
Fragment na de 26e zet van zwart:

Wat is de stellingsbeoordeling? Eerder in de partij offerde Topalov een kwaliteit op c3 en kreeg voldoende compensatie. De witte pionnenstructuur op de damevleugel is verbrokkeld, de loper op g3 doet niet mee en zwart heeft het loperpaar. Als hij …, Lc4 zou kunnen spelen gaat ook …, Pxe4 dreigen omdat f2-f3 de koningsstelling ernstig zou verzwakken. Wat is het kwetsbare punt in de zwarte stelling? Wit heeft druk op pion d6 en gaat die druk versterken. Wit brengt het paard van het veilige veld b3 naar veld b7 waar het door vijandelijke stukken wordt omringd. Maar het paard is niet kwetsbaar maar juist een nuttig gebruiksvoorwerp met een actieve rol.
Vanwege de dreiging …, Lc4 moet Movsesian dus snel zijn.
Eerst offert hij het nuttige gebruiksvoorwerp pion c4. Voor de prijs van een luttele dubbelpion kan hij paard b3 activeren. Met wat hulp van zijn tegenstander toont hij aan dat de zwarte koning niet zo veilig staat als het lijkt.

 

2. Een kwetsbaar wezen
De koning beschouwen we als het meest kwetsbare stuk. Het risico dat de koning in het middenspel wordt gevangen telt zwaarder dan wanneer de koning in het eindspel actief aan de strijd deelneemt. Maar niet alleen de koning is een kwetsbaar stuk, alle stukken zijn het. Het verlies van elk van hen kan pijn doen. Ze hebben allemaal adequate bescherming nodig.
Markos gebruikt de volgende metafoor: Als we jong zijn beschouwen we ons lichaam als een gewillig instrument om te doen wat we willen en om er plezier aan te beleven. Het lichaam van een jongere heeft als het goed is geen pijntjes en wordt de noodzaak om er goed voor te zorgen niet gevoeld. Maar door pijn leren we allemaal vroeger of later dat het lichaam kwetsbaar is, ons lot hangt ervan af. We leren ervan dat het noodzakelijk is goed voor ons lichaam te zorgen.
Voor de stukken op het schaakbord geldt hetzelfde, we moeten de stukken beschouwen als levende wezens. Rowson zegt half serieus, half grappend, dat we met onze stukken moeten praten.
Als je met al je stukken ‘praat’, ze allemaal individuele aandacht geeft, helpt het antipositionele zetten te vermijden. Je gaat niet aanvallen voordat je ontwikkeld bent omdat je ‘hoort’ dat je niet ontwikkelde torens ook mee willen doen. Je zet je paard niet buitenspel omdat je zijn stil protest niet kunt ontkennen.

Twee voorbeelden:
Jan Markos – Vladimir Tukmakov
Zelfs de sterkste spelers kunnen fouten maken als ze niet genoeg voor hun stukken zorgen.
Fragment na de 19e zet van wit:

 

We kunnen op vier manieren gebruik maken van een kwetsbaar stuk van de tegenstander.
1. We kunnen het slaan, dan staan we een stuk voor.
2. We kunnen tempi winnen door het aan te vallen.
3. Als we een stuk aanvallen moet de tegenstander daar zijn aandacht op richten en kan hij minder bezig zijn met de rest van het strijdtoneel.
4. De vierde is misschien wel de meest interessante: stukken die een zwakte verdedigen hebben de neiging zelf zwak te worden.

Anatoly Karpov – Lajos Portisch
Het volgende voorbeeld laat goed zien hoe de kwetsbaarheid van meerdere stukken de uitkomst van een partij kan bepalen.
Fragment na de 14e zet van wit:
Stellingsbeoordeling:
* De zwarte stukken staan niet minder actief dan de witte.
* De dame op e5 controleert veel velden.
* Het paard is ontwikkeld in het centrum.
* De lopers lijken ok.

Wit kan echter voordeel krijgen. Wat zijn de problemen van de zwarte stelling?
Het grootste probleem is dat de stukken gemakkelijk aangevallen kunnen worden.
* De dame kan worden verjaagd door pion c3.
* Het paard op c6 dekt de loper op e7 en het belangrijke veld e5 maar het paard kan worden aangevallen door de pion op d4.
* De loper op e7 heeft dekking nodig.
* De loper op f5 kan worden aangevallen.
* De pionnen op b7 en c7 zijn potentiële aanvalsdoelen.
Karpov maakt uitstekend gebruik van de kwetsbaarheid van de zwarte stukken.

 

3. Een stuk hout
De derde verschijningsvorm van een stuk is die van een ‘dood stuk hout’. In die hoedanigheid staat het alleen maar in de weg.
De ‘dode stukken hout’ zijn meestal pionnen omdat ze het minst beweeglijk zijn. Daarom worden ze vaak geofferd. Maar in het volgende voorbeeld wil wit een pion uit de weg hebben maar offert daarvoor een ander stuk.

Voorbeeld:
Nikola Mitkov – Sergey Rublevsky
Fragment na de 14e zet van zwart:
De zwarte loper van de zwarte velden staat, gedekt door pion d6, op het actieve veld c5. Het nadeel is echter dat zwart een verdediger op de koningsvleugel mist. Omdat de loper op c5 van de zwarte velden is, zijn de zwarte velden in de buurt van de zwarte koningsstelling daarom iets verzwakt. Daarom wordt de aanval gericht op de velden f6 en g7.
Maar hoe? Daartoe moet de g-lijn geopend worden. De opmars van de g-pion alleen is niet voldoende, de pionnenstelling voor de koning is niet verzwakt. Mitkov vindt een elegante oplossing.

 

Voor de volledigheid de complete partijen: