Een stuk gezelliger!


Categorieën
Vandaag :
♔ niets op de agenda

Voeding en schaakprestaties

.

In een publicatie van de hand van Karel van Delft wordt uitgebreid ingegaan op het effect van voedsel op schaakprestaties. Het artikel is te vinden op de website van het Max Euwe Centrum, zie
over-voeding-doping-en-schaken.

In dit artikel wordt ook een verband gelegd tussen voeding, gewicht en lengte van schakers, met name van de schakers van Schaakclub Purmerend. Dit artikel onderscheidt zich van andere studies doordat  er door ons een strikt wetenschappelijke methode is gevolgd met stevige onderbouwing door statistische analyses van de data.

In een ander artikel op deze website, getiteld “Met grotere lengte meer kans op winst???”, van 24 januari 2018 werd aandacht besteed aan de suggestie van Anish Giri en Hans Ree dat een imponerende gestalte wellicht van invloed zou kunnen zijn op de kans om een schaakpartij te winnen, zie link. Een imponerende gestalte zou een positieve invloed hebben op bijvoorbeeld de Elo-rating van die persoon.
In dat artikel werd voorgesteld om dit aspect meer gedegen te onderzoeken. De senior-leden werd gevraagd om hun lengte en gewicht aan mij op te geven zodat een meer statistische analyse gedaan zou kunnen worden om het hierboven effect te bevestigen of te verwerpen.

Op mijn verzoek hebben 20 van de 47 regelmatige deelnemers aan de Keizercompetitie 2017/18 gereageerd en mij hun gewicht en lengte doorgegeven.
In mijn verzoek had ik aangegeven dat de data vertrouwelijk zouden worden behandeld. De wijze van presentatie van de verwerkte data zijn zodanig dat de privacy wordt gewaarborgd: uit de gepresenteerde data kan geen directe link gelegd worden tussen een data-punt en een specifieke speler.

De resultaten van dit kleine onderzoek zijn uitgezet in de grafiek.

Toelichting bij de grafiek:

Van iedere schaker is het gewicht en de lengte gebruikt om de BMI (Body Mass Index) te bepalen (zoals bekend zal zijn is de BMI het gewicht in kg gedeeld door de lengte (in meters) in het kwadraat).
Van elke schaker werd ook de stand (kolom Pos in de met Sevilla gegenereerde ranglijst)  in de lopende Keizer competitie op 29 maart 2018 bepaald.
Vervolgens werden de verkregen 20 paren BMI en stand Keizer uitgezet in de onderstaande grafiek.

Teneinde de privacy te garanderen is het meest linkse punt in de grafiek de hoogste positie die één der deelnemende schakers in de Keizer-competitie inneemt, maar is die positie niet noodzakelijkerwijs de eerste positie. Evenzo correspondeert het meest rechtse punt niet noodzakelijkerwijze met positie 47.
Maar wel is het zo dat de schaal tussen hoog en laag lineair is.

Dank zij de welwillende en onbaatzuchtige medewerking van schakers die geheel belangeloos hun gewicht- en lengtegegevens hebben gegeven, kunnen de volgende conclusies getrokken worden uit de data. Hierbij dient echter wel bedacht te worden dat de steekproef wel behoorlijk groot is, maar nader onderzoek met een grotere steekproef is zeker gewenst om een steviger fundament onder de volgende conclusies te leggen. Gedacht kan worden om het onderzoek te herhalen onder de Nederlandse schakers met gebruikmaking van de door de KNSB verzamelde en bijgehouden Elo-ratings.

De hoofdconclusie is dat er een sterke correlatie (correlatie-coëfficiënt 0,72) bestaat tussen de BMI van een schaker en zijn prestatie:  naarmate zijn BMI hoger is wordt door een schaker beter gepresteerd.

Een andere conclusie is dat met name het gewicht van een schaker een overwicht geeft op de tegenstander. Natuurlijk wordt in het algemeen ook een rijzige gestalte als imponerend ervaren, maar klaarblijkelijk is lengte alleen niet genoeg. Bij gelijke gewichten hebben langere mensen immers een lagere BMI en zullen derhalve statistisch gezien minder scoren (zie grafiek).

Dit onderzoek toont aan dat het bij schaken niet zozeer gaat om imponerend door de blote lengte óf door het blote gewicht (hier is bloot in juridische zin bedoeld!! De auteur heeft afgezien van het gebruik van het meer juiste germanisme “an sich” omdat deze terminologie heden ten dage minder bekend zal zijn door jongeren wegens de inperking van het taalonderwijs op scholen), maar meer om de combinatie van lengte en gewicht. Dit duidt erop dat de schaker vooral geïmponeerd wordt door een combinatie van lengte en breedte van de tegenstander: een kleine tegenstander met breed postuur (en dus hoge BMI) imponeert klaarblijkelijk toch ook aan het schaakbord, derhalve een beter resultaat.

Er wordt nog opgemerkt dat correlatie tussen twee grootheden, hier BMI en stand in de Keizer, niets zegt over het mechanisme van de correlatie. Hier wordt aangenomen, op basis van de suggesties van Hans Ree,  dat goede resultaten worden verkregen als gevolg van een flink postuur. Maar niet uitgesloten is dat er andere mechanismen werkzaam zijn die resulteren in de de correlatie tussen BMI en prestatie. Men zou hypothetisch kunnen denken aan de keten: BMI <-> voeding <-> mentaal denkvermogen en uithoudingsvermogen <-> schaakresultaten.

Er wordt opgemerkt dat in dit onderzoek geen duidelijke correlatie (correlatie-coefficiënt 0,02 resp. 0,04) gevonden werd tussen gewicht en prestatie of tussen lengte en prestatie.

Dit is een aspect van enig belang. Het is niet zo dat men imponerender zal overkomen door bijvoorbeeld schoenen met hogere hakken of verdikte zolen te gebruiken. Men ziet er wel langer uit, maar de door de tegenstander ervaren indruk van een lagere BMI (men weegt nog steeds evenveel maar bij een visueel grotere lengte) maakt, volgens de resultaten uit de grafiek, dat de hoge-hakken-drager minder kans op een goed resultaat heeft. Dus hoge hakken werken averechts. (Hier wordt nog opgemerkt dat de conclusies zijn bereikt voor mannelijke schakers. Het is niet uitgesloten dat vrouwen met hoge hakken, met name als ze tegen mannen spelen, imponerend zullen overkomen, zelfs als ze slank zijn. Dit aspect kan slechts bestudeerd worden indien een representatieve groep vrouwen lid is geworden van onze schaakclub, een situatie die, naar verwachting,  nog in het verre verschiet ligt).

Men kan natuurlijk werken aan een groter gewicht. De data geven aan dat een toename resp. afname van één eenheid BMI gelijk staat aan een stijging resp. daling van 8 plaatsen in de Keizer competitie. Één eenheid BMI is ongeveer 3,5 kg. Dus met een gewichtstoename van ca. 17 kg zal men, naar verwachting, ca. 40 plaatsen stijgen.
Overigens wordt er op gewezen dat het gezondheidsrisico van een gewichtstoename in dit kader geheel voor de betreffende persoon is. De club en de auteur wijzen elke aansprakelijkheid af.

De club en de auteur wijzen ook elke garantie op succes af door BMI-toename. De verkregen relatie tussen BMI en schaakprestatie is een statistische relatie. In voorkomende individuele gevallen zou een hogere BMI kunnen leiden tot mindere schaakprestaties.
Slecht indien het onderzoek een relatie tussen BMI en schaakprestatie met een correlatie-coëfficiënt van 1 (één) had opgeleverd, zou deze garantie afgegeven hebben kunnen worden.

Dankbetuiging:
De auteur van dit artikel bedankt nogmaals alle leden die hem hebben voorzien van de gevraagde gegevens.
Dank gaat ook uit naar de heer G.E. Zwam te Purmerend die de gegevens statistisch heeft ver- en bewerkt.

P.S. 1: Kort na de publicatie kwam een lezer met de volgende suggestie: Het dragen van verdikte zolen zou gecombineerd moeten worden met het dragen van een kogelvrij vest of met een zwemvest. Dat vest zou dan wel onder een shirt verstopt moeten zijn. Het nadeel is dat men de verdikte zolen en het vest altijd zou moeten dragen. Komt men immers een lid van de schaakgemeenschap tegen buiten het schaaklokaal, en men zou de zolen en vest niet dragen, dan valt men direct door de mand.

P.S. 2: Een tweede reactie bracht de goede keuken van het Triton onder de aandacht. Het is al een gevestigde trainingsmethode dat schakers van de Schaakclub Purmerend, na afloop van hun schaakpartij, zich naar de bar van het Triton begeven alwaar zij gaan werken aan hun schaakvaardigheid middels het eten van bitterballen, kaas, worst (al of niet met mosterd) en spiritualiën.
.

Delen
  • 7
  •  
  •