Een stuk gezelliger!


Categorieën
Vandaag :
♔ niets op de agenda

De Biljartballen

De komende vier keer zal ik nader ingaan op de stukken en hun eigenschappen. Allereerst is de loper aan de beurt.

Jan Markos in ‘Under the Surface’, zoals gezegd mijn voornaamste bron dit seizoen, schrijft dat het niet zo makkelijk is te weten te komen hoe de top-grootmeesters over het spel denken. Hij wijt dat enerzijds aan het feit dat zij hun keuze over wat te doen in een bepaalde stelling intuïtief maken. Het is immers niet eenvoudig om aan iemand anders uit te leggen wat voor jou vanzelfsprekend is. Anderzijds worden de meeste aantekeningen bij schaakpartijen tegenwoordig snel gemaakt en zijn meest gebaseerd op computeranalyses dan heldere uitleg in woorden.

Waar je veel van leert zijn boeken van grootmeesters waarin zij met veel woorden partijen uitleggen. Het klassieke voorbeeld is het toernooiboek van Bronstein over Zürich 1953, een moderner voorbeeld is ‘Positional Decision Making in Chess’ van Gelfand. Daarnaast is zijn aanbeveling om op internet naar de uitleg van topspelers te kijken direct na afloop van een partij.

De inspiratie voor Markos om diepgaander de mogelijkheden, of beter een specifieke onmogelijkheid, van de loper te onderzoeken is een opmerking van Karpov, die zei dat lopers net biljartballen zijn. Ze ketsen terug van de randen van het bord.
Dat betekent dat er voor een loper geen directe weg is van de ene flank naar de andere. Lopers moeten ergens van koers veranderen, ze moeten afbuigen. De dame of een toren kan wel snel van de ene flank naar de andere, een paard doet er iets langer over maar heeft het voordeel dat het over stukken heen kan springen.

Diagram 1.

Bijvoorbeeld: Een witte loper die op h4 staat kan heeft minimaal twee zetten nodig om naar c3 te gaan.
Dat kan op twee manieren: via e1 of via f6. In het eerste geval betekent dat dat de loper door de eigen stelling heen moet, maar dat kan belemmerd worden door een pion op f2, of een toren op e1. De eigen stukken staan in de weg. In het tweede geval moet de loper via de vijandelijke stelling en dan kan f6 gedekt zijn door een pion op g7.
Het kan dus moeilijk zijn om de loper op de juiste plek te krijgen. Daarom is het belangrijk van tevoren goed te weten waar de loper hoort.

 

Vorige keer bespraken we dat een stuk vanuit drie perspectieven bekeken moet worden:
1. Als een actief gebruiksvoorwerp dat we kunnen gebruiken om ons doel te bereiken.
2. Als een kwetsbaar en waardevol wezen dat steeds onze zorg en aandacht nodig heeft.
3. Als een ‘dood stuk hout’ dat anderen in de weg staat.
Als we een verkeerd geposteerde loper op deze criteria bekijken dan is de loper geen actief stuk dat doelgericht gebruikt kan worden, het heeft wel aandacht nodig maar daarvoor kan de tijd ontbreken. Daarom is een loper die op de verkeerde vleugel staat meer te beschouwen als een dood stuk hout.

Partij 1.
In deze partij tussen Pirc en Aljechin offert zwart in de opening een pion voor een voorsprong in ontwikkeling. De witte dame staat kwetsbaar en zal nog een tempo moeten verliezen. Wit moet kiezen hoe hij gaat ontwikkelen.
Het commentaar is van Jan Markos.

 

Partij 2.
Carlsen speelt n dit tweede voorbeeld een strategisch fraaie partij. De rode draad in is het onvermogen van de zwarte loper van de zwarte velden om van de ene kant van het bord naar de andere te komen. Carlsen verhindert dat stelselmatig.
In Chessbase is deze partij becommentarieerd door R. Edouard. De commentaren van Markos, specifiek gericht op het thema, heb ik toegevoegd.

 

Partij 3.
In deze partij is het kwaliteitsoffer op de 32e zet van zwart alleen maar mogelijk omdat de witte loper op g3 geen mogelijkheid heeft om op de damevleugel de verdediging bij te staan.

Delen
  •  
  •  
  •