Een stuk gezelliger!


Categorieën
Vandaag :
♔ niets op de agenda

Met zonder paarden

Met paarden
Paarden zijn moeilijker om mee te spelen dan lopers. Lopers zijn rationeler. Hun bewegingen doen denken aan een lijn die langs een liniaal wordt getrokken of aan een snelweg die door een kaal landschap loopt.
Een paard daarentegen heeft iets dierlijks en onvoorspelbaars, ook op het schaakbord. Beginnende schakers kunnen met een blik zien of er sprake is van ongelijke lopers en snappen snel wat een ‘slechte loper’ is. Paarden zijn minder makkelijk te doorgronden.

1. Studie Chéron

Wit wint, ook al is de witte koning ver weg en hoeft zwart alleen maar zijn paard voor de witte h-pion te geven om remise te maken.

Wat kunnen we hieruit leren?
1. Ten eerste dat wanneer een paard ergens op het bord wordt vastgezet het niet alleen minder actief is maar ook andere stukken kan hinderen en kwetsbaar is.
2. Ten tweede dat een paard niet alleen moeite heeft zich snel over langere afstanden te verplaatsten maar ook moeite heeft met korte afstanden. Bij een paard is het dus van groter belang op welk veld het staat dan bij een loper. Het is niet genoeg alleen maar op dat deel van het bord te staan waar ‘het allemaal gebeurt’, het precieze veld is belangrijk.

In leerboeken die over strategie gaan en in het bijzonder over paarden lees je vaak dat een paard houdt van gesloten stellingen. Maar daar is wel iets op af te dingen. Als een paard opgesloten is binnen een compacte pionnenstructuur heeft het even weinig plezier als een kip in een legbatterij.

Het spel met het paard lijkt op autorijden. De situatie in het probleem van Chéron met de zwarte stukken machteloos in de buurt van de witte h-pion is net zoiets als iets te veraf staan van het apparaat waar je het parkeerkaartje in moet als je de parkeergarage uit wilt rijden. Je hebt kilometers gereden maar bent niet in staat je auto 20 centimeter naar de zijkant op te schuiven. De moeizame weg van een paard naar een veld vlakbij doet denken aan inparkeren op een klein plekje: metertje vooruit, schakelen, stuurwiel draaien, stukje achteruit, schakelen, stuur draaien, stukje vooruit, en zo maar door tot je eindelijk ingeparkeerd bent. Zelfs de L-vormige bewegingen van de auto bij het inparkeren doen denken aan die van het paard.

 

2. Kasparov – Shirov, Horgen 1994

In de stelling na de 13e zet van wit ‘reed’ het paard van Shirov net zo, maar Kasparov liet hem de rit niet afmaken. Het zwarte paard kwam volledig buitenspel te staan.

Een interessant leerpunt is dat bij paarden de afstand tussen ‘twee velden diagonaal’ visueel niet erg groot is. In zetten gerekend is het juist wel de langste afstand. Van b7 naar d5 kost vier (!) zetten. Dat is net zo veel als van a1 naar g7.

Het verschil in kracht tussen twee paarden die in elkaars nabijheid staan kan nog groter worden als een koning in de buurt is.
Een aanvallend paard in de buurt van een koning is een gevaarlijk stuk, niet in de laatste plaats vanwege de mogelijkheid een vork te geven. Daar staat tegenover dat het een slechte verdediger is: het kan de koning in de weg staan, het kan zich niet makkelijk terugtrekken op een veilige plek maar vooral is een zwakte dat het geen velden in zijn onmiddellijke omgeving dekt.
Het paard leidt zijn eigen leven. In het ecosysteem van het schaakbord heeft het geen natuurlijke vijanden en hoeft roofdieren niet te vrezen, zoals een dame dat wel moet. Maar er is één strategisch aspect van een stelling dat een allesbepalende invloed heeft op het leven van een paard. Dat is uiteraard de pionnenstructuur.

Als de pionnenstructuur van de tegenstander compact is kan dat het leven van een paard frustreren omdat veel goed velden worden weggepakt. Daarom houdt het paard van stellingen met zwakke pionnen of een verbrokkelde pionnenstructuur. Ze kunnen de verzwakte pionnenstructuur prima aanvallen of de eigen gebroken structuur repareren.

 

3. Laurent – Renet, Frankrijk 2000

Deze partij is heel instructief.
Allereerst laat wit, door een onzorgvuldig pseudoactief plan, toe dat zijn pionnenstructuur verder verzwakt wordt. Wit wint weliswaar een pion maar loopt een achterstand in ontwikkeling op.
Zwart trekt zich tijdelijk terug maar komt sterk terug. De witte structuur is zo verzwakt dat zwart gemakkelijk werk vindt voor zijn twee paarden.
De partij eindigt met een directe mataanval en laat de geringe overlevingskansen van een koning zien als die onder de hoeven van een span paarden komt.

 

4. Radjabov – Svidler, Bakoe 2015

In deze partij is te zien hoe het paard tegenspel biedt aan een toren.

 

Zonder paarden
Nu we gezien hebben waartoe paarden in staat zijn is het ook interessant om het over hen te hebben zonder dat ze op het bord staan. Dat maakt inzichtelijk hoe het spel verandert als er geen paarden zijn. Dat lijkt vergezocht maar we zeggen vaak dat we de waarde van dingen pas beseffen als we ze kwijt zijn.

Paarden gaan op een speciale manier. Koningen. dames, lopers en zelfs pionnen kunnen diagonaal gaan. De koningen, dames, torens en pionnen gaan recht. Maar geen enkel ander stuk gaat zoals een paard, diagonaal en recht in een en dezelfde zet.

Wat gebeurt er als de paarden van het bord zijn? Over het algemeen gaat het spel dan sneller. Paarden zijn relatief langzame beesten, dus als zij van het bord verdwenen zijn neemt de gemiddelde snelheid op het bord toe.

 

5. Atalik – Shinkevich, 2013

Het spel zonder paarden is dus sneller, vol met spanningspunten en doorbraken, zwakke velden hebben minder betekenis.
Maar wat doen ze dan eigenlijk op het bord?
Het aardige is nou juist dat het spel vertraagd wordt. Paarden maken het spel subtieler. Ze zijn goed in het uitbuiten van kleine dingen zoals zwakke velden.

Onduidelijk is of paarden de aanwezigheid van vrijpionnen versterken of niet. Aan de ene kant is het paard de beste vriend van een vrijpion en kan het de opmars effectief ondersteunen. Aan de andere kant is het een uitstekend blokkadestuk. Alles hangt af van de specifieke kenmerken van de stelling. Zoals dat voor elke vuistregel in het schaken geldt.

Delen
  •  
  •  
  •