Een stuk gezelliger!


Categorieën
Vandaag :
♔ niets op de agenda

Rechttoe rechtaan

Na de lopers en de paarden zijn nu de torens aan de beurt. De bekendste kenmerken van een toren zijn dat hij achter de vrijpion moet staan, goed tot zijn recht komt op een open lijn en op de zevende (tweede) rij dood en verderf kan zaaien. In tegenstelling tot de lopers en de paarden komen torens pas laat in het spel.

Torens zijn de enige stukken die niet persé gecentraliseerd hoeven te worden om zoveel mogelijk velden te bestrijken. Het maakt niet uit of de toren op een leeg bord op e5 staat of op h1. Jan Markos in ‘Under the Surface’ geeft een interessant staatje:

  Aantal velden onder controle vanaf centrumveld Aantal velden onder controle vanaf hoekveld Ratio
centrumveld – hoekveld
Koning 8 3 2,67
Dame 27 21 1,29
Toren 14 14 1,00
Loper 13 7 1,86
Paard 8 2 4,00

Hoe hoger de ratio, hoe belangrijker is dat het stuk wordt gecentraliseerd. Het paard staat dus het beste in het centrum, daarvandaan bestrijkt het de meeste velden.
Uit de tabel blijkt dat het voor een toren niet uitmaakt waar het staat, hij controleert vanaf de hoek of vanuit het centrum op een leeg bord precies evenveel velden. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat torens de ideale stukken zijn om vanaf de randen van het bord te spelen.
Torens zijn ideale aanvalsstukken. Ze kunnen de pionnenstructuur van de tegenstander onder druk zetten omdat ze van afstand werken. Maar ook zijn ze sterk wanneer ze in het vijandelijke kamp zijn binnengedrongen. Een toren op de achterste rij is vaak dodelijk, een toren op de zevende rij heeft heel wat pionnen te verorberen.

Een voorbeeld van hoe de torens via de rand van het bord binnen kunnen vallen:

1. Alexander Motylev – Jan Markos, Plovdiv 2008

In deze stelling staat zwart iets minder. De stelling is gesloten maar wit heeft al zijn lichte stukken op de koningsstelling van zwart gericht. Zwart besluit daarom zijn loperpaar op te geven, dat is in een gesloten stelling toch niet zoveel waard. Maar daardoor wordt de h-lijn geopend en wordt een ideale toegangsweg voor de zware witte stukken.
Uit deze partij blijkt dat gesloten stellingen minder gesloten kunnen zijn dan ze lijken. Een passieve verdediging is geen goed idee. En is duidelijk dat de torens aan de randen van het bord uitermate effectief kunnen opereren.

 

Een tweede voorbeeld met de torens aan de rand:

2. Wei Yi – David Navara, Wijk aan Zee 2016

Ook in deze partij lijkt de koningsstelling voldoende geblokkeerd maar dat is ook hier schijn. Een ogenschijnlijk kleine verzwakking wordt zwart fataal. Met een offer verschaft wit zich toegang en spelen de torens op de g- en h-lijn een cruciale rol.

 

Kenmerken van de toren
De toren is het stuk dat het meest wordt gehinderd door de pionnenstructuur, het is het enige stuk dat niet makkelijk door gaatjes heen kan slippen. Een toren heeft open lijnen nodig. Het is dus belangrijk verzwakking in de pionnenstructuur van de tegenstander uit te lokken. Omdat de pionnenstructuur een relatief stabiel element is kan zo’n verzwakking kan pas zetten later nuttig blijken.
Daarnaast is een toren een prima verdediger voor de basis van je stelling. De achterste twee rijen zijn de Achilleshiel, die rijen kunnen immers niet verdedigd worden door pionnen. Daarom nemen de torens de verdedigende taak op zich.

In de opening en het vroege middenspel zijn torenruilen zeldzaam. En dat betekent dat toreneindspelen verreweg het vaakst voorkomen! Toreneindspelen komen drie keer zo veel voor als het tweede meest voorkomende eindspel, dat van een paard tegen een loper.

De combinatie van de verdedigende taak van de toren en het probleem hoe uit de pionnenstructuur te breken betekent dat het voor dit stuk in de opening en middenspel moeilijk is zich volop in de strijd te mengen. Als je erin slaagt de aanvallende en verdedigende kracht van je torens al in een vroeg stadium weet te combineren levert dat vaak een belangrijk voordeel op. Een aantrekkelijke manier om de toren te activeren is om hem voor de pionnenstelling te zetten, de zogenaamde toren-lift. Vaak gaat dat via de derde rij om de koningsaanval te ondersteunen (bijv. Te1-e3-h3).

Torens kunnen uitstekend vanaf de flank de koningsstelling verdedigen en tegelijk de aanvallende functie behouden. Een toren op a7 bijvoorbeeld verdedigt f7 maar maakt ook de weg vrij voor een verdubbeling over de a-lijn.

Torens zijn het best geschikt om een batterij te maken. Twee torens en de dame is de enige batterij die uit drie stukken bestaat. Een toren achter een (vrij)pion is ook te beschouwen als een batterij omdat de kracht van twee stukken die in dezelfde richting werken wordt versterkt. Een belangrijk kenmerk is verder dat twee torens in een batterij elkaar dekken. Niet verbonden torens zijn zwakker en meer kwetsbaarder.

 

Beoordeling van de stelling, ontstaan uit het Spaans, de Berlijnse Muur:

 

De volgende partij is er een met een voorbeeld van het belang van het verbinden van de torens. Het lijkt erop alsof zwart alles goed doet: hij valt de verzwakte structuur aan met behulp van de toren op de a-lijn. Maar So onderschatte het belang van de samenwerking tussen zijn torens.

 

3. Magnus Carlsen – Wesley So, Bilbao 2016

In de eindstelling staat zwart een pion voor, heeft de betere pionnenstructuur en het loperpaar. Maar dat is allemaal niet belangrijk. Zwart is er niet in geslaagd zijn torens te verbinden en kan daarom het beslissende binnendringen van wit over de d-lijn niet verhinderen.

 

Vier punten om te onthouden
* Het maakt voor de toren niet veel uit of ze aan de rand of in het centrum staan. Maar in vergelijking met andere stukken zijn zij bijzonder geschikt om vanaf de randen van het bord opereren.
* Torens hebben in de opening en het vroege middenspel vaak weinig te doen. Als dat wel lukt hebben de andere stukken meer vrijheid gekregen.
* De activiteit van de toren hangt af van de pionnenstructuur. Door zwaktes uit te lokken hebben zij in een later stadium werk te doen.
* Verbonden torens zijn veel effectiever dan wanneer ze niet verbonden zijn.

Delen
  •  
  •  
  •